200 baris pertama.
Ik begin ver vóór mij.
Toen m'n arme mama zou worden verwekt...
zat m'n grootmoeder Anna Bronski, een jonge vrouw zonder benul...
in haar vier rokken aan de rand van een aardappelveld.
Men schreef het jaar '99.
Ze zat in hartje Kasjoebië.
En daar bewoog zich iets aan de horizon. Er sprong iets.
Alsjeblieft.
Is er hier eentje langs gekomen? Een zekere Koljaiczek.
Hij heeft een fikkie gestookt. - Klein en breed is ie.
Zo eentje heb ik er gezien. Hij rende als een dolleman.
Waarheen?
Geloof ik niet.
Die is weg. - Hij moet naar Bissau zijn...
als hij hier niet is. Het één of het ander. - Wat anders heb je hier niet.
Nou regent 't ook nog.
Kom, Koljaiczek. - Joseph heet ik.
Mijn grootvader was dus een brandstichter. Een meervoudige zelfs.
Want in heel West-Pruisen werden destijds houtzagerijen de brandstof...
voor het opkomende Poolse nationalisme.
Joseph en Anna vonden onderdak bij de houtvlotters...
waar ze bijna een jaar bleven.
Zolang deed de politie erover...
om het spoor van m'n grootvader terug te vinden.
Rennen.
Niet schieten.
Laat los. - Niet schieten.
Vuur.
Na deze sprong in het water is Koljaiczek nooit meer opgedoken.
De één zegt dat hij verdronken is...
de ander dat hij naar Amerika is ontkomen...
waar hij 't in Chicago onder de naam Joe Colchic...
tot miljonair zou hebben geschopt.
Z'n vermogen schijnt uit de houthandel te komen...
en daarnaast uit de fabricage van lucifers...
en z'n deelname in brandverzekeringen.
M'n grootmoeder daarentegen zat in haar vier rokken, door de jaren heen.
En ventte haar waren uit op de markt.
Gansjes, niet te vet en niet te mager.
Zo werd ze ouder.
De Eerste Wereldoorlog kwam en de gansjes maakten plaats voor rapen.
Eekhoorntjesbrood. - Rapen. Hier moet u zijn.
Ook m'n arme mama werd ouder...
en maakte zich zorgen om haar neef Jan.
Jan moest de oorlog in, maar wilde liever bij haar blijven.
Naam? - Bronski, Jan.
Geboren? - '98.
Hoest 's.
Nog een keer.
Uitgesteld.
Geen kont, geen nek. Een jaar uitstel.
Toen hield m'n arme mama haar neef Jan voor de eerste keer vast...
en ik weet niet of ze 'm later nog ooit gelukkiger heeft vastgehouden.
Deze prille oorlogsliefde bleef onbezorgd...
tot er ene meneer Alfred Matzerath opdook.
Hij was Rijnlander en werd in het leger- hospitaal door z'n opgeruimde aard...
de lieveling van alle verpleegsters.
Wat zegt ze?
Dat u een geboren kok bent, Herr Matzerath.
U kunt gevoelens in soep omzetten.
Eindelijk was de oorlog leeggebloed.
Danzig werd tot vrijstaat verklaard.
De Polen kregen eigen posterijen, waar postzegelverzamelaar Jan ging werken.
Ook Alfred Matzerath bleef in Danzig.
Wij Kasjoeben zijn hier altijd geweest.
Lang voor de Polen, en lang voor de Duitsers natuurlijk.
Oude koeien, Jan. Vrede.
Duitsers, Polen, Kasjoeben zullen vreedzaam samenleven.
Ik weet 't niet. - Dat komt nog wel.
De twee zo verschillende, maar wat mama betrof eensgezinde heren...
mochten elkaar wel...
en in deze drie-eenheid hebben ze mij, Oskar, op de wereld gezet.
De zon stond in het teken van de Maagd.
Neptunus betrok het tiende huis van het midden des levens...
en verankerde Oskar tussen wonderen en misleiding.
Persen. Vooruit, persen.
Persen, Agnes. Hard persen.
Het komt eraan.
Ik aanschouwde het levenslicht in de vorm van een 60-watt-gloeilamp.
Alfred, het is een jongetje.
Ik wist wel dat 't een jongetje zou worden...
al zei ik soms dat 't een meiske werd.
Niet zo heet.
Krijsend, terwijl ik deed of ik een blauwrode baby was...
luisterde ik al kritisch naar de eerste, spontane uitspraken van m'n ouders.
Hij kan later de winkel overnemen. Dan weten we waarvoor we nu zo slaven.
Als de kleine Oskar drie jaar wordt, krijgt hij een blikken trommel.
Alleen dat vooruitzicht weerhield me ervan...
krachtiger uiting te geven aan m'n wens terug te keren in de hoofdligging.
Bovendien was de navelstreng doorgeknipt.
Er was niets meer aan te doen.
En zo kon ik m'n derde verjaardag nauwelijks afwachten.
Wie heeft ons getrouwd, zeg het. - Zeg jij het
de domheer, die heeft ons getrouwd.
Is er wat?
Jij bent 't, Oskartje. Wil je nog taart? - Nee, dank u.
Je hebt een vies sneetje.
U ook nog een slokje, oma?
Alsof je een appel geeft. We moeten weer naar ons lichaam leren luisteren.
De broodjes kosten alweer drie pfennig. Wat?
Wat de mens nodig heeft, is een stabiele munt.
En iets in z'n glas. - Zo is dat.
We drinken op de rentemark en op jouw broodjes van drie pfennig.
Op de jeugd. En op alles wat mooi is.
Mooi is de jeugd.
Mag ik jij zeggen, Gretchen?
Dan zeg ik Lina.
Kinderen, zo jong komen we nooit meer bij elkaar.
Lina begrijpt me vaak niet.
Zachtjes zong de nachtegaal zijn liedje in de nacht
de liefde, de liefde
is een hemelse macht
Wat prachtig.
Jan, haal de kaarten. - Wat gezellig.
De doeken gaan zo de was in. Ik was nog even een paar glazen af.
Twaalf september anno 1927.
Volgend jaar ben je zo groot. Dan zo en dan zo. Tot je zo groot bent als ik.
Maak ruimte. Zo, vers uit de kelder.
Hier zijn glazen. Dan hoef je niet uit de fles te drinken.
Geef er maar één aan.
Speelt u mee, Herr Scheffler? - Alsjeblieft niet.
Speel maar, ik kijk liever toe. Ik moet trouwens zo naar bed.
Hij is altijd moe. - Je man is nou eenmaal bakker.
Achttien. - Twintig.
Twee. - Drie.
Vier. - Weg.
Zevenentwintig. Dertig.
Wat doe je daar?
Die tijd is voorbij, dat oma iemand onder haar rokken liet.
Begrijp je dat, Lina? - Ik begrijp er ook niets van.
S Kijken waar de boeren zitten.
Jouw beurt, Jan. - Je weet dat alle ruiten eruit zijn.
Niet ruziën. Spelen.
En die nog en die ook nog.
Ik heb nog twee ruiten. Hoe moet ik dat weten?
Op die dag, waarop ik over de wereld van de volwassenen...
en m'n eigen toekomst nadacht, besloot ik er een punt achter te zetten.
Ik wilde vanaf nu geen vingerdikte meer groeien...
en voor altijd de driejarige, de gnoom, blijven.
Eén, twee, drie, vier...
vijf, zes, zeven, acht.
Mijn god, daar is hij. - Wat is er?
Wat is er aan de hand? - Hij is van de trap gevallen.
Schiet toch op. - Altijd dat gedoe.
Waarom stond het luik open? - Hij bloedt.
Alfred, jij hebt de valdeur opengelaten.
Ik heb alleen bier voor jullie gehaald.
Bloed. - Lina, we gaan de dokter halen.
Het ziet er erg uit. - Het is jouw schuld.
Rustig maar. - Jij hebt de valdeur opengelaten.
Smeerlap. - Ik heb alleen het bier gehaald. Hou op.
Je moest nog veel meer krijgen. - Gebruik je verstand toch.
Hou jij je erbuiten. - Laat me erdoor.
Bedaar toch. Het is nu eenmaal gebeurd.
Oskartje, mijn Oskartje. M'n jongetje toch.
Hoe kan dat nou gebeuren?
Nog één of twee weken bedrust, dan mag Oskartje weer opstaan.
Het is maar 'n lichte hersenschudding. Ga door met de koude omslagen.
M'n val in de kelder was een doorslaand succes.
Voortaan luidde het: Op z'n derde verjaardag viel onze Oskar in de kelder.
Alles aan hem bleef heel, alleen wou hij niet meer groeien. Geen centimetertje.
Al doende leert men, Oskar. - Greff, klanten.
Altijd dat getrommel. Zo hard. - Ja, ik kom eraan.
Nou, Oskartje. Het gaat alweer met je.
Eet smakelijk.
Oskar. Let op. Deze is heel waardevol.
De eerste Poolse Postzegel. Meer dan 100 jaar oud.
Komen eten. Het zijn champignons.
Ik moet gaan. - Blijf toch eten. Champignons.
Neen, ik heb dienst. Ik moet er over 20 minuten zijn.
Niet in huis. En die trommel is kapot. Je bezeert je.
Blijf je eten? - Ik moet naar de post.
Geef die trommel hier. Als je je bezeert, heb ik 't weer gedaan.
Ik zei 't toch?
Geef mij die trommel, dan krijg jij chocola.
Geef 'm maar. Je krijgt van mij 'n nieuwe.
Nee, Oskar wil niet. - Dat zullen we wel 's zien.
Waarom altijd met geweld? - M'n trommel.
Nou wordt ie mooi. - Kijk uit.
Zo ontdekte ik dat m'n stem mij in staat stelde...
om zo'n hoge gil voort te brengen...
dat niemand mij m'n trommel durfde af te pakken.
Scherven brengen geluk.
Want als m'n trommel werd afgepakt, gilde ik.
En als ik gilde, sprongen de kostbaarste spullen aan scherven.
Is de zwarte kokkin er? Nee, nee, nee
drie keer moet je rond in draf de vierde keer je kop eraf
de vijfde keer, kom mee, vrouw Slee daar heb je haar, daar heb je haar.
Scheer jullie weg, snotapen. Dit moet afgelopen zijn.
Misbaksel, ik kom naar beneden.
Maar niemand magt het in opstand te komen
verrukkelijk lokt de zonnige dag
verrukkelijk lokt de zonnige dag
berkenloof en groen gewas als met een uitnodigend gebaar
bevat de oude moeder Aarde
opdat de mens haar eigen wordt
Die neem ik.
Kijk toch 's naar die buitengewone aardappels.
Dat zwellende, welige, steeds nieuwe vormen bedenkende...
en toch zo kuise vruchtvlees.
No comments yet. Be the first to leave one.