Первые 200 строк.
Maak je werkplek schoon.
Volgende week maken we soesjesdeeg. Bereid je daarop voor.
Luisteren jullie? -Ja, chef.
En nu wegwezen.
Wegwezen, zei ik. -Ja, chef.
Ik sprak Ludo voor het eerst toen ik 16 was.
Hoi. -Hoi.
Heb je het druk? -Ik heb een afspraak.
Théo geeft vanavond een feest. Kom je ook?
Ik weet het niet. -Ik heb twee helmen. Ik kan je ophalen.
Ik moet echt gaan. -Oké.
Vergeet haar, ze is saai. Neem mij mee.
Ik heb eigenlijk maar één helm.
Ik wist meteen dat we voor elkaar bestemd waren.
Ik weet wat je denkt. Zestien is erg jong.
Maar als je levensverwachting 30 jaar is…
…is 16 al de helft van je leven.
Kom op.
De dokter wacht.
En de fysiotherapeut ook. -Je hoeft niet te toeteren, mam.
Als je opschiet, hoef ik niet te toeteren.
Opnieuw. Adem in en hoest.
Nog een keer. Blijf normaal ademen.
En nu sneller.
Leeg je longen. Adem alles uit.
Wat ik het ergste vond aan mijn ziekte was dat ik niet kon dromen.
Goed zo.
Kom even op adem.
Dat was m'n dagelijkse leven.
Drie keer per week fysio…
…en een maandelijkse afspraak met dr. Garriguès…
…die al sinds m'n jeugd m'n arts was.
Hoe gaat het? -Ik leef nog.
Adem in en uit.
Nog een keer.
Je bent vandaag een beetje buiten adem, hè?
Moeten we de luchtwegverwijders verhogen?
Nog niet. We houden het in de gaten.
Doe je je oefeningen thuis? -Ja.
Als je het niet ophoest… -Kan het gaan ontsteken, ik weet het.
Jij bent in een goede bui vandaag. -Ze zit te mokken.
Ik wil niet dat ze vanavond uitgaat.
Er zijn veel mensen die roken. -Ik kan bij ze uit de buurt blijven.
Wat zegt u, dokter?
Doe je je oefeningen thuis? -Dat beloof ik.
Moraal is ook belangrijk.
Oké. Ik heb geen keus, hè?
Jij wint.
Je vat nog kou.
Dank je.
Ik ben blij dat je er bent.
Wil je een trekje? -Dat mag ik niet.
Ik hoorde dat je ziek bent. Is dat de reden?
Dat klopt.
Is het ernstig?
Niet echt.
Mooi.
Ik geef toe dat ik loog.
Waarom zou ik hem direct afschrikken met een heel verhaal over m'n ziekte?
Zullen we gaan?
Is goed.
Wacht even.
Geef hier. -Kom maar halen.
Je krijgt me niet te pakken. -Kom hier.
Dit is de laatste keer dat je uitgaat, jongedame.
Ik heb je 50 keer gebeld. Waarom neem je niet op?
We hadden middernacht afgesproken. Niet 01.00 uur, niet…
Bedankt, mam.
Zonder het te weten hadden m'n ouders me taaislijmziekte gegeven.
Hun rottige cadeau gaf me het recht om te doen wat ik wilde.
Ik wilde alles uit het leven halen.
Ik heb je nog niet geraakt. -Hoe voelt het om waardeloos te zijn?
Je personage is te sterk. Het mijne is te langzaam.
Verdorie.
Pak aan. -Je speelt vals. Kijk naar je personage.
Ik ben over tijd. -Echt?
Ik ben nog niet ongesteld en ik ben misselijk.
Neem je geen anticonceptie? -Nee, ik heb het niet nodig.
Waarom niet?
M'n dokter zei dat ik niet zwanger kon worden door m'n ziekte.
Weet je het zeker? -Ja.
Maar ik ben al twee maanden niet ongesteld geweest.
Wat moeten we doen? -Een zwangerschapstest.
Je kunt ze kopen bij de apotheek…
…maar met alle medicijnen die m'n moeder koopt, weet ze het als ik zelf ga.
Dat is waar.
Wil jij gaan? -Is goed.
Op één voorwaarde. Dat je me laat winnen.
Echt niet. -Prima. Haal hem dan zelf maar.
Wat een slechte verliezer.
Stop met valsspelen, je wint. -En stop met kijken.
In het echt zou ik van je winnen. -Serieus? Hoe kun je zo irritant zijn?
Ik hou van je.
Zoals Paulo Coelho zei:
Koken is de mooiste en meest complete kunstvorm.
Het stimuleert onze vijf zintuigen, plus één.
We moeten dus onze uiterste best doen.
Ik droomde ervan bij de brandweer of politie te gaan.
Maar vanwege m'n ziekte werd ik opgeleid tot banketbakker.
Vandaag leer ik jullie de geheimen van soesjesdeeg.
Pak de eieren.
Heb je hem? -Ja, kom maar mee.
Hier. Laat het me weten. -Dank je.
Tot morgen. -Tot dan.
Dag.
Hoi, schat. -Hoi.
Niet te veel op je telefoon zitten.
Alles goed? -Zeker. En met jou?
Ik neem jullie vanavond allemaal mee uit eten.
Ik weet het niet, hoor. -Waarom niet?
Ik kom niet graag laat thuis. Julie moet ademhalingsoefeningen doen.
Deze ene keer? -Gaan we of niet?
Er hangen hier haarlakdampen. Blijf buiten.
Hoe lang nog? -Vijf minuten.
Als je zus klaar is, sluit ik.
Ze is niet van suiker. -Doe niet alsof ik de slechterik ben.
Amélie, heb je het bleekmiddel al? Ik kan het niet vinden.
Het werd vanochtend gebracht. Ik heb het al opgeruimd.
Zo snel? Oké. Geweldig.
'Goed gedaan, Amélie. Wat lief dat je me helpt.'
Sorry, schat. Goed gedaan.
Ga met je zus praten. Ik sluit wel af. -Oké.
Ze is een beetje bleek.
Ik vind het wel meevallen.
Volgens jou is er nooit iets mis.
Ze dromen allemaal van ware liefde.
Hij zegt vast ja. Wedden? -Natuurlijk.
Meent ze dat? Wat is dat voor kapsel? -Precies.
Liever dat dan single blijven.
Dat kapsel is beter, zie je?
Ik doe liever hun haar dan dat van oude oma's in de salon.
Absoluut. En je zou er goed in zijn. -Ja, maar met haar…
Waar gaan we op huwelijksreis?
Venetië. -Venetië is een goede keuze.
Wij zouden daarheen op huwelijksreis gaan, weet je nog?
Ik ga naar bed.
We weten niet eens of hij ja zegt. -Ik kijk het wel terug. Ik ben moe.
Welterusten, mam. -Ben je moe, schat?
Heb je koorts? -Nee.
Vergeet niet te betalen voor de fysio. Er ligt een envelop bij de deur.
Amélie, zet de tv uit. We gaan slapen. -Serieus?
Julie is moe, dus iedereen moet naar bed. Sommige dingen veranderen nooit.
Ik reken erop dat je morgen de salon opent.
Ik moet naar de apotheek voor Julie. -Ik weet het. Dat heb je al gezegd.
Ja. -Hij zei ja.
Weet je wat? Laten we op huwelijksreis gaan.
Ik ben bijna klaar met m'n werk.
Er is iets met Julie. Ik ken haar, ik kan het aan haar zien.
Jij maakt je altijd zorgen.
Laat haar eens leven. Ze is gewoon een tiener.
Slechte dagen horen erbij.
Sommige misschien.
Als je niet steeds bezig bent met haar ziekte…
…kan dit gezin misschien aan iets anders denken.
Het is vast fijn om in jouw hoofd te leven.
Hoe gaat het?
Het gaat prima.
Heb je de test gedaan?
Ik durfde niet.
Ik wilde op jou wachten.
Stel je voor dat hij positief is.
Waarom maak ik me zorgen? Het is onmogelijk.
Doe het toch maar, voor de zekerheid.
Ben je bang? -Nee.
Een beetje. -Ik wist het.
Ik ben helemaal niet bang. Is dat raar?
Ik hoop dat hij positief is.
Ik ook, denk ik.
Echt? -Zou dat niet geweldig zijn?
Absoluut.
Zullen we het nu doen?
Nu? -Dan weten we het tenminste.
Kom, we gaan.
Weet je hoe het werkt?
Ik denk het wel.
Je blijft niet, hè? -Ik doe m'n oren dicht.
Je bent zo'n lastpak. Ga nou.
Ludo. -Ja?
Kijk.
Twee streepjes. -Wat betekent dat?
Ik ben zwanger.
Dat meen je niet. -Ja.
Allemachtig. -We krijgen een baby.
Kun je het je voorstellen? -Verdorie.
Wat moeten we doen?
Wil je niet meer?
Je kunt je nog bedenken. -Nee, dat is het niet.
Ik ben gewoon geschokt.
Allemachtig, we krijgen een baby. -Kun je je dat voorstellen?
Ik hou van je. -We krijgen een baby.
Mijn ziekte had niet al mijn dromen gestolen.
Ik had nog steeds de mooiste en de meest onverwachte van allemaal.
Maken we een fout?
We hebben geen huis, geen baan. Waar moeten we van leven?
Volgend jaar verdien ik 350 euro per maand voor mijn stage.
En onze ouders dan? Stel je hun reactie voor.
Vooral die van jou. -Ze vermoorden me.
Kan me niet schelen. Ik ben heel blij.
Het komt goed. -Ja.
Kan je ziekte voor complicaties zorgen?
No comments yet. Be the first to leave one.