প্রথম 200টি লাইন।
Christenen, kom allen luisteren...
naar een ware klacht...
over drie onmenselijke monsters...
hun misdaden waren gruwelijk...
honderdtwintig jaar geleden vermoordden ze voorbijgangers...
in Peyrebeille, in Vivarais, in het departement Ardèche...
waar ze hun herberg openden...
aan het einde van een doodlopende weg...
de herberg lag langs een drukke weg... waar mensen werden afgeslacht...
deze monsters hadden een dochter, goed verzorgd...
hoewel ze veel charme had, vond ze geen minnaar...
we kennen vele herbergen waar van 's avonds tot 's morgens...
een meisje maagd blijft, zoals het meisje Martin...
we zullen nooit weten hoeveel slachtoffers er waren...
men vermoedt honderddrieëndertig...
maar het konden er nog veel meer zijn...
breng alle naties in beroering om de misdaden van dit huis...
we hadden in de bergen, van Tuillette tot Coucouron...
hield Martin zijn vrouw in hoog aanzien...
omdat we hen goed kenden, geloofden we in hun deugdzaamheid...
want achting volgt vaak in het spoor van rijkdom...
draaiorgelspeler des doods...
de arme duivel op een avond in de sneeuw...
vergezeld door een travestie-aap...
kwam hij in de herberg...
waar hij in een val liep...
Daar is hij, daar is hij.
- Daar. - Hé Marie... kijk daar eens.
- Hij moet dood! - Laat hem gaan.
Hoe weten we dat deze beesten niet kunnen praten?
- Smerig beest, schiet hem neer. - Nee, dat maakt lawaai! Hier, mijn mes.
Let goed op!
- Schiet hem neer! - Nee, niet met een geweer.
Je lijkt wel een orgeldraaier.
Als jij dat gelooft, zal de aap het ook geloven. Verberg jullie.
Zeg, als we delen... geef je dat orgel dan aan mij? Ik heb het niet gestolen.
Verdorie!
- Vuile neger! - Ik was het niet, zij was het.
Ach, wat maakt het uit, geef me dat ding hier... Wacht maar. Wacht...
Mis!
- Refugium peccatorum... - Ora pro nobis.
- Domus aurea... - Ora pro nobis.
- Foederis arca... - Ora pro nobis.
- Stella matutina... - Ora pro nobis.
- Janua coeli... - Ora pro nobis.
- Salus infirmorum... - Ora pro nobis.
- Consolatrix afflictorum... - Ora pro nobis.
Het zijn jagers...
- Heerlijk, een hazenstoofpot. - Ora pro nobis.
- Of een omelet met spek. - Ora pro nobis.
- Ik heb het over serieuze zaken. - Wat?
- Heb jij dan geen honger? - Oh, jawel.
- Is het klooster nog ver? - Zeker niet voor middernacht.
Dan stappen we verder.
- Turris eburnea... - Ora pro nobis.
Christianorum... Oh, moeder van God, mijn stok!
- Ik voel tocht tussen mijn benen. - Oh, mijn vader!
- Waar zijn we? Waar? - Oh, mijn vader...
- Wat is er? - Er is een gat.
Een gat? Waar is dat gat? Mijn God, een gat in een brug.
Het lijkt inderdaad op een brug.
Als er een brug is, is er ook een herberg.
- Welke herberg, vader? - Een goede herberg, mijn zoon.
- Ben je er al geweest? - Oh nee!
Ik ben er nog nooit geweest, maar ze is wel beroemd.
Nu ik eraan denk... het zal de goede Heer zijn die ons naar deze herberg leidde.
De Heer ziet alles, Hij ziet ook dat we uitgeput zijn.
- Refugium peccatorum... - Ora pro nobis.
Misschien is het een lekker everzwijn...
met rodewijnsaus en kastanjepuree?
- Zijn we er bijna? - We moeten zeker nog vier uur rijden.
- Wat zei hij? - Nog vier uur.
In die tijd kunnen we wel honderd keer worden overvallen.
Wat een waanzin! Wat ben ik toch komen doen in dit land van rovers?
Als je zo bang bent voor struikrovers, loop dan niet rond met al je diamanten.
Ten eerste, ik loop niet rond! Ik heb net de
begrafenis bijgewoond van mijn dierbare zus.
Dit juweel is alles wat ik nog van haar heb. Arme kleine Adélaïde.
Het is makkelijk om niet bang te zijn als je niets te verliezen hebt.
Ik zou graag hebben wat zij te verliezen heeft!
U zult er niet rijk van worden, meneer.
Wanten voor mama, een snuifdoos voor papa en een spellingboek voor het huispersoneel.
Ik leer het hem, maar hij heeft een hard hoofd. Hij is een neger.
Maar het zijn wilden! Jij bent niet bang?
Nee, deze is heel lief en heel vriendelijk.
- De aap... - Waar?
Daar...
Help! Je bijl!
- Wat is er met mijn bijl? - De bandieten, de struikrovers!
Dat meen je niet?
Ik geef niets om bandieten. Ik heb geen geld, dus ze doen me niets.
Hij zou ons laten stikken omdat meneer geen geld heeft.
- Meneer, u moet me beschermen! - Kalm, mevrouw...
- Doe die deur dicht! - Wat is er gebeurd?
Een visioen uit de hel, met veren en een lange staart als een duivel.
Het beest beet in mijn neus en vloog weg, en we hebben de remhendel gebroken.
- We zijn aan ons lot overgelaten. - Nee, ga weer zitten.
Ik ken een herberg, we repareren het daar.
- Is het ver? - Nee, vlakbij.
- We kunnen daar overnachten. - We kunnen kaarten.
Wat denkt u, meneer?
Het zou me plezier doen, maar de plicht roept: ik moet naar Privas.
Mijn vader is daar overleden.
Om nog maar te zwijgen van het feit dat de herberg een nest bedwantsen heeft.
Nee, mevrouw, er zijn bij ons geen bedwantsen.
Als Mathilde nog leefde zou dit allemaal niet gebeurd zijn.
Ik vind het ook niet fijn dat ze ons heeft verlaten.
Zonder haar zijn we precies als drie kleine kinderen.
Wat heb je eraan om te treuren? Thuis is er werk genoeg.
Is dat alles?
- Dat is alles. - In feite was dat het niet waard.
- De kermis draaide toch goed? - Je moet de acteurs nooit geloven.
- Je weet toch dat ik niet rook. - Klaag niet de hele tijd.
- Hier. - Messen heb ik in overvloed.
Dan neem je het niet aan!
- En wat is dat? - Tarotkaarten.
Mijn God, de dood!
- Hij is dood; de kaarten liegen nooit. - Ik heb die kaart omgedraaid.
Draai dan een andere om, het zal beter zijn.
De aap...
Ik wist het; die aap zal onze ondergang betekenen.
Hou je mond en smijt alles maar in de open haard.
En het orgel zal er ook in gaan.
Niet de muziek, mevrouw heeft het me beloofd.
Ik verveel me hier; ik wil wat afleiding.
Het is goed, je krijgt hem cadeau. Laat hem maar; ik pak hem later wel terug.
Iemand klopt op de deur.
- Ik kom eraan! - We zijn er.
- Ja, ja, het is al goed. - We zijn er.
We doen meteen open.
Oh, Mathilde! Maar... we verwachtten je eigenlijk pas morgen.
Ik wilde per se thuis zijn.
- Je bent niet alleen? - Ik heb andere reizigers meegebracht.
Drie, vier, vijf...
Wat lief, maar dat is te veel, mijn kleine meid.
Zie je, Marie, we waren aan het klagen. Gooi het handvat van de bijl nooit weg.
- Zijn ze gewapend? - Nee, enkel een bijl.
- Beste, zullen we het spel beëindigen? - Natuurlijk.
We hebben tijd voor het avondeten. Altijd tot uw beschikking.
- We zitten hier. - Als je dat wenst.
- Mevrouw, glühwein voor iedereen. - Ik geef het u.
Bedankt, wat heerlijk die warmte.
- Het verspreidt een vreemde geur. - We stookten oude kleren op.
Jullie hebben gelijk; we hechten aan veel oude spullen die nergens voor dienen.
- Wist je dat onze koets is aangevallen? - Ze hebben jullie toch niet beroofd?
Nee, godzijdank. Ze zouden deze halsband hebben afgenomen.
- Heeft u deze nog nooit eerder gezien? - Nee, zoiets hebben wij hier niet.
- Zou je me willen helpen? - Maar met plezier, mevrouw.
- Zeg eens, herbergier? - Wat is er? Wat scheelt er nu weer?
De remhendel is stuk; heeft u zo'n remhendel op voorraad?
Een remhendel? Dat weet ik niet zeker, ik zal even in de schuur kijken.
- Op boerderijen zijn er altijd remhendels. - Ik hoop dat hij zo'n remhendel vindt.
Marie... We doen dit nog eens over en dan trekken we ons terug op het platteland.
- Waar kijk je naar? - Ik kijk naar de grote man met de bijl.
Kijk naar die diamanten halsketting. Oh, mijn duifje, ik geef je die ketting.
- Oh, het staat je goed. - Dit is waanzin, mijn liefste.
Maak je geen zorgen over de man met de bijl, hij zal hier niet lang rondhangen.
Je fout was niet dat je mijn zes afpakte.
Ik had erover nagedacht, maar toen was het al te laat.
- Heb je geld bij? - Nee, enkel mijn bijl.
- Ik heb het gezien. - Kan ik er eventueel voor werken?
Nee, bedankt, we hebben niemand nodig. Dat doen we zelf, als gezin.
- Kom, drink uw kom leeg en trap het af. - Maar...
Niet voor mij.
- Zal je warme wijn voor mij halen? - Ik ben zo terug.
- Waar wacht je op? - Moet ik echt vertrekken?
Ja, onmiddellijk.
Ik kan toch niet midden in de nacht vertrekken?
Hij is nu ook al bang voor overvallers...
Ik ben niet bang.
Ze zullen je niets aandoen; je hebt geen geld.
In de koets had je een grote mond. Nu zijn wij aan de beurt.
- Goede reis. - Kom, maak dat je wegkomt.
- En in de schuur? - Er is geen plaats.
- Ik zal me klein maken. - Je bent nog steeds te groot.
Hoepel op! Je hoeft niet te vrezen voor overvallers. Jij bent sterk.
- Veel te sterk. Jij hebt geluk. - Ja, maar toch...
Soms helpt het om sterk te zijn. Kom, jongen, tot ziens.
- Heb je nu die remhendel of niet? - Ik heb dat niet.
- Hoezo? - Ik heb er geen liggen.
Mijn vrouw en ik hebben overal gezocht, maar we vonden geen remhendel.
We hebben geen remhendel.
De remhendels die we hebben, zouden niet werken.
- We moeten hier dan overnachten. - Jullie zullen slapen zoals engeltjes.
Dat zou fijn zijn; ik hou van dit huis.
Ik mis liever een vergadering dan mijn leven riskeren.
- Ik ben weduwnaar, dus ik heb alle tijd. - En mijn arme vader die op me wacht.
Rustig aan, hij kan toch nog één nachtje wachten?
- Daar gaat onze ham voor kerst. - Dat zijn we hen toch verschuldigd.
- Meneer, ze spelen met de kaarten. - En dan?
Er is er één die al het geld int van de anderen.
Wat maakt het uit? We zullen ze allemaal uitmoorden.
Welke kamer zal je mij geven, kleine meid?
Een kamer voor rijke mensen.
- Ontvangt u regelmatig rijke gasten? - Niet zo rijk als u, mevrouw.
Ik hoop dat het een mooi bed is.
Dat volstaat voor één nacht.
Deze kamer is al bezet.
Vergeef mij, mevrouw.
Deze kamer zal even goed zijn als die andere.
No comments yet. Be the first to leave one.