ആദ്യത്തെ 200 വരികൾ.
1852, IN DE ATLANTISCHE OCEAAN… EEN VERLOREN EILAND…
Ze zullen weer zeggen dat het mijn schuld is.
Er zijn geen vogels.
O, je kunt wel doorzetten.
Geen vogels, geen vissen.
Vandaag vangen we niks meer.
Al onze schapen zijn dood. We moeten vis vangen.
Er moet vis te vinden zijn.
De maan is ons slecht gezind.
En zelfs al was ze ons goed gezind, het is het verkeerde seizoen.
Daar kun je niks aan doen.
Wat moeten we dan eten?
Eten? Dit soort tijden zijn er nu eenmaal op het eiland.
Het komt en gaat. We hebben het eerder gezien.
Nou en? Jij bent toen niet verhongerd. -Ik niet, maar…
Zeg niet dat je iedereen liet sterven. -Dat lag eraan.
Ging jij dood of niet? -Geeft antwoord, Gaël.
Zie je dit? Dit is het vasteland.
Vrouwen dragen daar borduursel en kant.
Ze wonen in mooie huizen, met alles wat ze nodig hebben.
Ga weg.
En blijf weg, anders doe ik je wat.
O, nee. Mijn catalogus.
Straks is er niks van over.
Je krijgt er een als de handelaar terugkomt.
Bij het Pardon zullen er mooiere zijn. In kleur.
Ik moet gaan. Blijf hier, oké?
Beloofd? -Ja.
Denk je dat ze vanavond met vis thuiskomen?
Vanavond niet, en morgen ook niet.
Het is het verkeerde seizoen.
De andere jaren hadden we schapen.
Nu die dood zijn, als we geen vis hebben…
Wat moeten we dan doen?
De mensen ervan overtuigen hun voorraden te delen.
Dat kun je niet menen.
De mannen stemmen wel toe.
Maar de vrouwen…
Die zijn altijd bang om te weinig te hebben.
Jij zou met ze kunnen praten.
Om ze toe te laten stemmen.
Dat wordt moeilijk.
We blijven maar repareren, maar de mannen vangen niks.
Het is de maan. -De maan?
Het is niet het seizoen.
Als er wel vis is, is het te laat om te repareren.
De netten zijn verbrand. We kopen nieuwe als de vastelanders er zijn.
Heb jij daar geld voor?
Vastelanders geven doorgaans niks gratis.
Marie. Wat heeft ze? -Wat gebeurt er?
Wat is er met haar? -Is ze ziek?
Ja, leg haar op de kar.
Ze gaat stikken. -Gooi water in haar gezicht.
Het begint natuurlijk met de armste. Maar dat staat ons allemaal te wachten.
O, ze komt bij.
We schrokken van je, Marie.
Zag je wat er met Marie gebeurde?
Als ze niet snel iets vangen…
…gebeurt dat ook met jou, of haar, of haar kind. Met ons allemaal.
Dus we moeten iets doen.
Iets doen? Dat is makkelijk gezegd. Maar wat dan?
Ik weet het niet.
We kunnen de voorraden delen.
De voorraden?
Hier. -Niet drinken.
Het zal je goed doen. -Nee.
Het is melk, geen gif. -Als jij het aangeraakt hebt wel.
Idioot. Is het mijn schuld dat de netten verrot zijn?
Dat de maan slecht staat?
Dat de schapen dood zijn? Waag eens te zeggen dat 't mijn schuld is.
Mijn moeder en Yannick, dat heb jij gedaan, of niet?
Was zij het niet?
Ze kwam tijdens m'n moeders bevalling.
O, Louise.
'U hebt vast hulp nodig', zei ze tegen m'n vader.
Ik was jong, dus ik zei 'ja'.
M'n moeder stierf en Yannick heeft 't teken van de duivel.
Zeg dat nog eens.
Moet ik nog eens zeggen wat iedereen weet?
Je vader is onbekend en je moeder was 'n hoer.
Hup, Louise.
De vissers zijn er. Ze zijn er.
Jij trut.
Daar zijn ze.
Niets meer en niets minder dan gisteren.
We hebben de netten wel tien keer opgehaald.
Zo vaak dat onze handen verbrand zijn.
Kunnen jullie vanavond langskomen om het over de situatie te hebben?
Ze moeten komen. Ik reken op je.
Wat doe je hier, oude man? -O.
Ben je niet bij Marnez met de rest? -Ik wil niet horen wat ze gaan zeggen.
Waar ben je bang voor? -Ik wil niet uitgehoord worden.
Ik weet niks, ik ben alles vergeten. Ik ben oud en wil met rust gelaten worden.
Willen ze je uithoren? -Natuurlijk.
Ze denken dat ik het nog weet. Maar m'n geheugen is weg, net als de rest.
Als je niks meer weet, kun je ze niks vertellen.
Maar ze kunnen me lastigvallen.
Dat doen ze niet, geen zorgen. -Ik ken ze.
Kom op, Gaël. Kom mee.
Luister, Marnez, ze hebben gelijk.
Het is nog nooit zo erg geweest. Als die oude man iets weet…
Hij weet niks. Wat denk je dat hij weet?
Kom op. -Nee. Ik ga niks zeggen.
Ik ga niks zeggen. -Kom binnen.
Hij wilde niet komen. Hij was bang. -Waarvoor?
Ik heb niks te zeggen. Laat me gaan.
Kom op, Gaël. -Gaël.
Je vertelde me dat er iets gebeurd was.
Dat heb je toch gezegd? -Ja, maar ik ben alles vergeten.
Hij zegt dat hij alles vergeten is. Laat hem met rust.
Gaël. Wees niet zo koppig.
Jij en ik gaan al heel lang samen de zee op.
We verdoen onze tijd. -Wil je het weten of niet?
Natuurlijk wel. -Ja, dan zullen we minder bezorgd zijn.
Gaël.
We gaan je geen pijn doen. We willen het gewoon weten.
Ik herinner me dat toen ik klein was, mensen zeiden dat er iets gebeurd was.
En daarna zwegen ze snel. Ze leken bang te zijn om erover te praten.
Ze deden hetzelfde als jij. Ze deden alsof ze het vergeten waren.
Gaël, je moet het ons vertellen.
Kom op.
Nou…
Ze veroorzaakten schipbreuken. Dat weet jij net zo goed als ik.
Ik weet maar één ding: wij zijn matrozen, geen piraten.
Ja, schipbreuken veroorzaken is piraterij.
Dat eindigt nooit goed. -Met 'n touw om je nek.
Dan moeten ze je eerst vangen. De politie is op het vasteland, niet hier.
Er zijn natuurlijk risico's.
Maar één ding is nog erger.
Iedereen laten sterven.
Er is misschien nog een andere oplossing. We kunnen onze voorraden delen.
Ze hebben het over delen.
Dat is leuk, maar ik heb tien monden te voeden.
Hou je mond.
Wat doen jullie hier? Jullie horen hier niet.
Pierrick.
Laat ze maar. -Ze horen hier niet.
Meestal niet. Maar vandaag is een ongewone dag.
Kom binnen.
Komen jullie?
Nee, Moira. Jij niet.
Waarom zij niet?
Je kunt niet te veel vragen, ze zouden het niet snappen.
En vandaag wordt er al veel van ze gevraagd.
Ik houd alles zelf.
Gisteren stemde je toe.
Dat was toen.
Wat heeft dit voor zin? -Het langer volhouden.
Dat gaat niet lukken. Ik heb één kind. Ik ga geen anderen voeden.
Wat moeten anderen dan? -Wat ze willen.
En… er zijn andere manieren.
We hadden besloten dat niet te doen.
Wat doe jij hier?
Marnez, jij hebt jouw mening, wij de onze.
Je gaat dat toch niet echt doen?
Het is beter dat vreemden sterven dan onze eigen mensen.
Nee. -Een dier zou het nog begrijpen.
Wij zijn geen dieren. -Als we wachten, gaan we eraan.
En als we schepen laten zinken, het eiland.
En de kinderen dan? -God zal hen redden, wij helpen ze alleen.
God wil niet dat we lijden. -Ook niet dat we doden.
Hij wil dat we ons verdedigen. -Dan verdedig jezelf maar.
Verdedigen jullie jezelf maar.
En als er onheil gebeurt, is het jullie schuld.
Kom, we gaan. Laten we dit veilig opbergen in de kerk.
Schiet op. Kom, aan het werk.
Stop hem helemaal dicht.
Hij moet het houden. -Dat lukt wel.
Als de boot water maakt, scheppen we hem leeg.
Oké. -De boot is prima, maar de vissen?
Er zal vis zijn. Dat moet gewoon. We moeten er klaar voor zijn.
Ben je verdrietig?
De tijd lijkt gewoon trager te gaan dan normaal.
Weet je, Yann… Soms wil ik hier heel ver vandaan zijn.
Omdat het afgelopen jaar zwaar was?
Maar binnenkort…
…komen er mensen van het vasteland. Ik zal stof voor je kopen.
En dan trouwen we.
Als m'n vader nog steeds toestemt.
Als de priester komt voor het Pardon, beloofde hij.
Maar men zegt dat je tegen ons bent. Waarom is dat?
Dat gaat over iets anders. Laten we daar niet over praten.
Yann. -Ja?
Het vasteland is vast prachtig, of niet?
Ik snap niet waarom je dat zegt.
We zijn hier geboren.
Hier leven we en sterven we. Net als de rest.
Geen geluid maken. Ga de harpoen halen.
Ga met hem mee en pak het touw. Wij houden de wacht.
Trekken. -Niet doen, die boot is kapot.
Hier, pak aan.
Pak aan.
Wat doe jij hier? -De kinderen gaan verdrinken.
Wat heb je nu weer gedaan?
Ze zijn in een bootje vertrokken en er is wind.
Rennen, Yann.
Ga weg.
Waar onheil is, is zij ook. Zij veroorzaakt het.
Wat gebeurt is onze schuld.
Want we doen niks.
No comments yet. Be the first to leave one.