ആദ്യത്തെ 200 വരികൾ.
Liefste,
mijn hart hoort jou toe.
Wat je ook gedaan hebt, ik hou van je.
Ik hou van je.
De lange jaren die je daarbinnen zult zitten...
zal ik hierbuiten uitzitten terwijl ik op je wacht.
Een man heeft me bedrogen, ik wil hem schrijven.
Meneer Zé Amaro, dank u wel...
voor wat u voor me gedaan hebt. Ik had vertrouwen in u...
en u hebt me bedrogen. U bent er zelfs vandoor...
met de sleutel van mijn flat.
Jesus...
jij bent het ergste dat me ooit overkwam.
Ik schrijf je alleen...
omdat je zoon Josué het vraagt.
Ik heb hem gezegd dat je niet deugt...
maar de koppigaard...
wil je per se leren kennen.
Adres? - Jesus de Paiva, Sítio Volta da Pedra...
Bom Jesus do Norte. Pernambuco.
Dalva... - Dalva...
mijn mosseltje... - Mosseltje?
Als ik jou tegen me aan voel, onze lichamen verstrengeld...
ons zweet vermengd...
voel ik me...
Voel ik me...
Van de kaart. - Precies. Van de kaart.
Ik heb het juiste adres niet. - Ik heb het nodig.
Schrijf dan: Derde huis na de bakkerij, Mimoso, Pernambuco.
Cansançao, Bahia.
Carangola, Minas Gerais.
Município de Relho D'Agua, Ceará.
Muzambinho, Minas Gerais.
Mevrouw Dora...
Alles goed? - Ja.
Tot morgen.
Tot kijk.
Irene.
Wat?
Kom naar boven. - Ik kom.
Dat rotding is al even oud als ikzelf.
Ga zitten.
Je herbegint weer, Dora.
Ik zeg het je meteen...
ik ben ertegen. Gesnopen?
Werk nou toch mee. Maak open.
Ik heb uw zoekertje gezien in de hartsrubriek.
Het was het enige dat me beviel. - En dat stuurt die schoft...
naar tien vrouwen. - Ik ben groot...
heb bruine ogen en glad haar.
Ik heb hogere studies gedaan. Men zegt dat ik knap ben.
Hij is aartslelijk. - En hij kan niet eens schrijven.
Vuilnisbak? - Vuilnisbak.
Jesus, jij bent het ergste dat me ooit overkwam.
Probeer tenminste je zoon op te zoeken.
Hij wil je per se kennen. - Ze zegt dat de jongen...
zijn vader wil kennen. Een zuipschuit. Zij wil hem terug, ja.
Nee, verscheur die niet. Een jongen die zijn vader wil kennen...
zijn gezin herenigen.
En dan? - Jij gaat alles verpesten.
Hij dronk, hij sloeg haar. - Ontzeg je het kind zijn vader?
Beter dat dan slaag krijgen van een dronkelap.
In de vuilnisbak, zeg ik. - Het is haar eerste brief.
We maken een uitzondering. - Ik ben dit gedoe zat. Ik ga weg.
Hij maakt haar kapot.
Dat is haar zaak. Je hebt het recht niet. - Goed, ik leg hem in de la.
Niks van. Morgen post je hem.
De vuilnisbak of de la. Ik kan hem later nog posten.
M'n neus. Die brieven liggen jaren in het vagevuur.
Ik post hem volgende week. Ga zitten, we hebben werk.
Je kunt soms vervelend zijn. - Heel wat mensen gaan uit de bol...
tijdens het carnaval. Ik ook.
Jij hebt lol gehad, ik ook. Maar dat vergeten we nu.
Die vind ik leuk.
Echt? Heel erg leuk?
Ik heb al lang geen nieuws meer van thuis.
Ik denk dat ze mijn brieven niet krijgen.
Je kunt niet altijd op die dekselse post rekenen.
Misschien zijn ze verhuisd. - Denkt u?
Eén real, Sérgio.
Tot kijk. - Doei.
U hebt een brief voor me geschreven, weet u nog?
Ja. - Hebt u hem gepost?
Nee, ik wou het vandaag doen.
Mooi. Ik zou hem liever verscheuren...
en een andere sturen.
Ik was te hard voor Jesus. - Zeg maar.
Jesus... - Jesus...
je zoon José wil je echt leren kennen. - ...leren kennen.
Hij zegt dat hij naar Bom Jesus wilt... - Wilt wat?
...wilt gaan om bij jou te zijn.
Ik heb volgende maand vakantie en kan dan met hem mee.
Zo zal ik Moisés en Isaías zien. - ...Moisés en Isaias.
Als u een wist hoe graag ik die ellendeling wil terugzien.
U hebt ervaring. Wat schrijf ik verder? - Weet ik veel.
Help me een beetje.
Denk nog eens na en kom een andere keer terug.
De waarheid is dat ik nog van hem hou.
Jesus, ik mis je enorm.
Ik heb pijn als ik wakker word zonder jou aan mij zijde.
Ik wil graag mijn laatste zwarte haar houden...
opdat jij het kunt uitrukken.
Prachtig.
Wacht op me. Ik kom terug. Je...
Hoe heet u, mevrouw? - Ana.
Steek die bij de brief. - Is gebeurd.
Zal ik hem posten? - Ja. Hoeveel is het?
Aangezien ik de eerste niet gepost heb, één real.
Hoe weet je zeker dat ze hem post?
Ze nam niet eens een envelop.
Niet onbeleefd zijn. Mevrouw helpt me.
Volgende. - Tot ziens.
Kom, Josué.
Wat is er? - Een vrouw is door een bus overreden.
Is ze dood? - Ja.
Ze heeft de boeken neergelegd.
Dank u wel, mevrouw.
Ik wil mijn vader schrijven.
Vooruit, schrijf.
Papa, kom naar Rio. Mama heeft een ongeluk gehad.
Heb je geld? - Ja.
Laat zien.
Laat zien.
Wie ken je in Rio?
Mijn moeder. - Wie nog meer?
Schrijf nu. Doe wat ik zeg. - Laat eerst je geld zien.
Geef de brief van mama terug. - Ik heb hem al gepost.
Komaan, ga weg.
Geef de brief van mama. - Hoepel op. Maak dat je weg bent.
Er is je gezegd op te krassen. Vooruit.
Wat doen jullie? Opgehoepeld.
Wakker worden, jongen. Wil je een broodje?
Heb je geen honger? - Ik heb al gegeten, dank u.
Profiteer ervan. Grote korting op schoonheidsproducten.
50 centavo voor een kam.
Hier gaat alles goed.
Ik heb alsmaar meer klanten.
Ik kan nog maar amper volgen.
Ik spaar een beetje om weer naar school te gaan...
Houd de dief.
Grijp hem, meneer Pedrao. - Ik volg hem.
Hou je kop.
Schiet me niet dood. Ik geef hem terug.
Goedenavond, mevrouw Dora. - Dag.
Gaat u al weg?
Dag, ventje. - Josué.
Josué. Laat je tol eens zien.
Heeft je moeder je niet gezegd niet met vreemden te praten?
Je hoeft niet bang te zijn.
Ik ben niet bang. - Laat, Pedrao. Ik ken hem.
Dan wil ik u even iets zeggen.
Dag, jongen.
Josué Fontenele de Paiva. Paiva van vader, Fontenele van moeder.
Kijk eens aan. Ik ben gewoon Isadora Teixeira.
Josué de Paiva, heb je zin om met me naar huis te gaan?
Ik heb je al gezegd dat ik op mama wacht.
Ze komt niet meer.
Dat is niet waar. - Ze komt niet meer.
Ze is dood.
Heb je geen familie in Rio? Een tante of zo?
Geef antwoord.
Kijk. Pak aan.
Als je je bedenkt, hoef je me maar te volgen.
Je moet het zelf weten.
Kom binnen.
Waar is je man? - Ik heb geen man.
En je kinderen?
Geen kinderen, geen man, geen familie, geen hond.
Mag ik naar de wc? - Natuurlijk.
Waar is het? - Daar.
Wat een hitte. Ik ga me even verfrissen.
Ik heb bezoek.
Dit is Josué.
Was het lekker?
Je ziet hoe veeleisend mijn gast is. - Welnee, Dora.
Zijn moeder kon vast beter koken. - Nee, ze kon ook niet koken.
Je mag wat dankbaarder zijn, snotneus.
Irene, wat doe jij voor werk?
Raad eens?
Je ziet eruit als een lerares, zoals Dora. Alleen is Dora briefschrijfster.
We waren allebei onderwijzeres.
Heb jij ook geen man?
Ik heb er ook geen. - Wie zorgt dan voor jullie?
Wijzelf.
Je moeder was ook alleen. Wie zorgde voor haar?
Ik, natuurlijk.
En liet je vader zich nooit zien?
Hij werkt hard. Hij is schrijnwerker.
Hij werkt met hout. Hij maakt tafels, stoelen...
tollen, huizen... Hij maakt alles alleen.
Was zijn vader geen... - Wat wil jij later worden?
Vrachtwagenchauffeur.
Mijn vader en die van Dora bestuurden grote treinen.
Het waren enorme tuigen. Het was ellende.
Alles oké, Josué?
Wat doe je? Rotjoch.
Kun je lezen?
Denk je dat ik haar brief niet post?
Het is niet wat je denkt, jongen. Ik had nog geen tijd om hem te posten.
Ik breng hem zelf naar papa. Geef. - Ben je gek?
No comments yet. Be the first to leave one.