The first 200 lines.
Henriette, heb je mijn gereedschap mee?
- Wat zei je? - Heb je mijn gereedschap meegenomen?
Nee.
Ik denk dat het in de auto ligt.
Je weet hoe Anna is. Ze kan niet tegen nieuwe dingen.
Papa kan toch bij Anna blijven. Dan kunnen wij met vakantie.
Ik kan op het vliegveld tijdschriften kopen.
Papa kan nu geen vakantiedagen opnemen vanwege zijn nieuwe baan.
En ik heb hier veel werk. Toe maar, het wordt leuk.
Je zult je op school nieuwe vriendjes maken.
Het is toch leuk om nieuwe vriendjes te hebben?
- Maar iedereen is met vakantie. - Nee.
Niet iedereen. Nu moet je slapen. Welterusten.
Ik wil niet slapen.
Oké dan. Mij goed.
Wil je niet even bij me blijven?
Nee, maar ik kan wel de deur open laten.
Zo, nu kan ik je horen. Welterusten.
Hallo.
- Ben je nieuw hier? - Ja.
Zal ik je iets laten zien?
Wat?
Waar ik vroeger woonde, had ik een boomhut gebouwd.
Ik had ook een katapult,
waarmee ik op 'slechte mensen' schoot.
- Ben je verhuisd? - Ja, heel vaak.
Hou vast en ga daar staan.
Oké.
- Moet ik hem gooien? - Nee, gewoon laten vallen.
- Ben je klaar? - Ja.
Nu.
We moeten iets vinden dat lichter is.
- Klaar? - Ja.
Nu.
Hoe doe je dat?
- Ik heb veel geoefend. - Nog een keer.
Klaar?
Nu.
- Mag ik eens proberen? - Ja.
Goed concentreren, oké?
Nu.
Het lukte niet.
Kijk wat ik kan.
Dat is gewoon eng.
- Kun je deze verplaatsen? - Nee.
Ik wel.
Het vloog opzij.
Gebruikt hij een katapult?
Nee. Hij liet het zelf bewegen.
Wees voorzichtig met katapulten.
- Kan hij toveren? - Ja.
- Cool. - Wat is dat?
Er werd ook gevoetbald.
Goed zo. Leg maar neer.
Ik mocht niet meedoen.
De teams waren vast compleet.
Ik doe het wel.
Misschien kun jij me helpen?
Ik neem dat kussen. Oei, mijn kont.
Een stoel.
Kijk. Een stoel.
Kom hier, dan.
Zo.
Papa wacht op ons. We moeten gaan. Altijd zo druk.
Ja, dat heb jij ook.
Mijn haar is een beetje dikker dan het jouwe, denk ik.
En mijn haar is veel donkerder dan het jouwe.
Kijk eens wat een verschil in kleur.
Ik ben veel donkerder dan jij. Zo.
Ik heb me slecht uitgedrukt.
Niemand heeft mooier haar dan een ander.
Sorry. Zit stil, anders kan ik je haar niet borstelen.
Mama?
Ik heb zelf gewerkt als gediplomeerd verpleegkundige.
Dus ik merk veranderingen snel op.
Zegt ze niets? Geen expressieve taal?
Nee, ze maakt alleen wat geluiden.
Vroeger sprak ze wel.
- Haar diagnose was toch op haar vierde? - Ja, maar het begon al daarvoor.
Ze praatte veel en toen verloor ze stap voor stap haar spraakvermogen.
Was dat niet om aandacht te krijgen?
Nee, als driejarige praatte ze overal doorheen.
Zal ik je even rondleiden, Anna?
Speel je graag?
Dat is veel bloed, zeg.
Kom... Ga even zitten.
Anna? Wat is er gebeurd?
Maar dat is glas.
Susu.
Susu?
- Wil je even gaan wandelen met Anna? - Nee.
- Op de speelplaats voor de deur. - Nee, ik heb geen zin.
- Welterusten. - Welterusten.
- Mama? - Ja?
Als ik bid, mag ik dat in mijn eigen woorden doen?
Ja, je mag bidden in je eigen woorden.
Misschien kun je ook voor papa bidden?
Kan ik gewoon liggen luisteren?
- Wat bedoel je? - Gewoon luisteren?
Ja. Maar dat is niet hetzelfde als bidden.
- Ik denk van wel. - Oké.
- Maar welterusten. Ga nu slapen. - Welterusten.
We gaan naar veel plaatsen. We gaan ook naar de stad.
Met mijn vrienden en hun kleine broertje.
Zoiets mag je niet zeggen.
Dat is heel slecht gedaan.
Ik moet het vertellen.
Is dat je zus?
Ze is autistisch.
Hou op.
Kijk.
- Kan ze niet zien? - Jawel.
Ze is gewoon een beetje raar.
- Knijp je hard? - Ja.
Zullen we gaan spelen?
Blijf jij hier even zitten?
Wij gaan even wandelen.
Zo kan ze heel lang blijven zitten.
Hé. Wat doe je?
Wil je de bal hebben?
Wil je hem?
Hallo.
- Is dat jouw kat? - Nee, hij is gisteren aangekomen.
Psst, Jabba.
Ik noem hem gewoon Jabba.
Hé, Jabba.
- Nog hoger? - Ja.
Zou hij dood zijn?
- Zullen we hem afmaken? - Wat bedoel je?
Niet doen.
Heb je dat gehoord?
Hij is warm.
- Waar ga je naartoe? - Ik moet naar huis.
Anna, kom, we moeten gaan. Anna, kom.
Ze wil blijven.
Ja, maar we moeten gaan. Kom.
Wil je dat ik meega?
Kun je haar morgen meenemen?
Dat weet ik nog niet.
- Kom. - Dat wil ze.
Ik kan het vragen.
Mag ik Anna vandaag meenemen?
Wil je dat?
Word je daar blij van?
Mogen we gaan?
Ja, als jullie op de speelplaats blijven.
Is je telefoon opgeladen?
Ja.
Hoeveel dan?
Vijf?
Een kasteel.
Twee.
Drie. Vier.
We moeten gaan.
- Deed jij dat? - Nee, zij.
Dat gaat niet lukken.
- Het is veel te groot. - We proberen het. Ga daar staan.
Ga bij elkaar staan. Samen werkt het beter.
Ben je klaar?
Anna kon het niet alleen. Wel samen met jullie.
Hoi, waarmee zijn jullie bezig?
- Kan jij dat ook? - Nee.
- Dus alleen zij en ik? - Maar...
- jij kan Anna horen, toch? - Ja.
- En zij kan mij ook horen. - Hoor je mij?
Nee, maar hem een beetje.
Wat hoor je dan?
Gewoon iets. Maar bij haar voel ik het de hele tijd.
We denken hetzelfde. We denken samen.
- Ben je klaar? - Ja.
Banaan.
- Banaan? - Klopt.
- Had je dat gehoord? - Nee.
- Kun je dat ook met Anna doen? - Ik kan het proberen.
- Klaar? - Ja.
Nee.
Banaan banaan.
- Wat betekent dat? - Twee bananen.
Probeer opnieuw. En jij zegt niets, oké?
- Klaar? - Ja.
- Banaan. - Klopt.
Ik heb vals gespeeld. Ik heb haar gebruikt. Het is makkelijk met haar.
Ik kan niets, ik.
Gaan jullie helemaal naar boven, dan gaan wij naar beneden?
Hallo.
Oké, we komen eraan.
Tot zo.
We zijn vergeten te eten. We moeten nu naar huis.
- Tot ziens. - Tot ziens.
- Wat waren jullie lang weg. Was 't leuk? - Ja, hoor.
- Wat is het toetje? - Een ijsje.
Mama?
Haai.
Mama, mag ik tv kijken?
Die is groter.
Met wie praat je?
Met niemand. Ik praat met iemand die niet hier is.
Geef antwoord.
Hallo.
Hallo.
No comments yet. Be the first to leave one.