The first 200 lines.
Tweeënveertig.
Tweeënveertig.
- Ja, dat ben ik. - Lena Harmiento Jimenez.
Je paspoortaanvraag is erg onvolledig.
Je schrijft dat je je zus gaat bezoeken, maar er staat geen adres.
- Heb je het adres? - Nee.
Waar ga je heen in de VS?
- Minnesota. - Naar Minnesota.
Geen werk, geen creditcard of toeristenvisum.
Kan je zus voor je instaan?
Ze is twaalf.
Je bent minderjarig. Kunnen je ouders voor je tekenen?
Dat kan niet.
- Waarom niet? - Ze zijn dood.
Ik kan je niet helpen.
Ik heb dit visum echt nodig.
Zoek een andere manier. Volgende.
Nee? Geen probleem.
Pastoor, ik heb dit horloge op het plein gevonden.
Het is van goud. Zie je?
Pastoor, ik weet dat u betrouwbaar bent.
Ik kan het niet meenemen, want m'n oom...
Geen idee wat je wilt, maar ik weet hoe het afloopt.
Je wilt dat ik betaal voor een plastic horloge.
- Pastoor, wat een duistere gedachten. - Sodemieter op.
Je zou overtuigender zijn als je horloge er beter uitzag.
En u zou overtuigender zijn als u uw fles zou verbergen.
Het is heet vandaag, señor.
Bent u toerist?
Kom vanavond naar het stierengevecht.
De matador is dodelijk.
Is het leuk om te zien hoe een man een dier vermoordt?
Nee, hoor. Ik wilde gewoon even kletsen.
Doe dat maar niet met hem, vriend.
Ik ben gebeld. Je pastoor is in een klein stadje.
In het zuidwesten.
Goed. Bel je vrienden.
Als ze hem pakken, verdubbelen we de beloning.
Dat is vreemd financieel beleid.
Gerechtigheid overstijgt financiën.
Op z'n arrestatiebevel staan kleine overtredingen.
Waarom jaagt een gepensioneerde marshal met z'n eigen geld op hem?
Is het persoonlijk?
Denk je dat ik je zou betalen als het niet persoonlijk was?
Goed. Het is dus persoonlijk.
Er wordt gezegd dat wie wraak wil...
twee graven moet graven.
Het is heet vandaag.
Zo heet dat de stieren er boos van worden.
Je matador heeft geen schijn van kans.
Oké.
Delen.
- Veel kleingeld. - Ja.
Esteban onderhandelt niet meer met me. Hij slaat een kruisje en neemt het aan.
- En de arepa's? - Wat?
De arepa's?
Vergeten.
Ik haal ze morgen.
Waarom morgen?
M'n studiegroep gaat vanmiddag naar de waterval.
Ik moet werken. Je past op m'n kinderen.
Ik heb het opgelost. Anna komt langs. Betaal haar. Verreken het met m'n huur.
Nee, Lena.
Daarvoor woon je hier niet.
Lena, binnenkort heb je zelf ook familie.
Dan begrijp je het wel.
Lena?
Lena, luister je?
Ik heb familie. Maar niet hier.
O, lieverd.
Er is hier niets.
Ik ga de arepa's halen.
Nee.
Je gaat me niet nog eens afzetten.
6000 voor oud kaasbrood. En jij noemt mij een afzetter?
Soort zoekt soort, of niet soms?
Wat denk je?
Als hij een pastoor is, ben ik de paus.
Hier was ik al bang voor. Als ze een toerist zien...
vragen ze tien keer zoveel.
- Vraag je geld terug. Heb je de bon nog? - Ja.
- Ik los het wel even op. - Ja.
Pastoor. Kan ik u spreken?
Momentje.
Heren.
- Het is ochtend. - Dat is zo.
Jullie lijken me belangrijke mensen. Hoe kan ik helpen?
- U jaagt de toeristen weg. - Ik ben zelf een toerist.
Dit is een rustig stadje.
We willen uw soort hier niet.
Wat doen jullie?
Jullie kunnen me er niet uit gooien.
- Ik bel de politie. - Geen politie.
Er komt over een uur een bus langs. Neem die.
Nog meer problemen.
Ik voer het woord.
Hebben jullie deze man gezien?
Hij is deze stad binnengekomen.
Komt hij jullie bekend voor?
GEZOCHT CLIVE LOWRY 'DE PASTOOR'
BELONING 5000 DOLLAR
Hij is hier. Ik ruik het.
Luister.
We hebben geld.
Rook hij aan mij?
Let niet op hem.
Z'n hersenen zijn gesmolten.
Kijk nog eens.
Hij doet alsof hij een priester of verkoper is.
- Wat verkoopt hij? - Potten, pannen en medicijnen.
Zijn dat geen echte dingen?
Jawel.
Waarom zou ik ze dan niet kopen?
Kennen ze hem of niet?
Lena? Heb je arepa's gekocht?
Lena? De arepa's?
Bel Anna. Verkoop alles.
Wat?
Heb je hem gezien?
Ik zou het niet weten. Die foto is zo vies.
Zei hij 'geld'?
Kom op, zeg.
Stel dat we hem zien.
Kijk maar. 5000 dollar.
Is dit gezeik nu eindelijk afgelopen?
Verdomme.
Federico, een blanke priester heeft je auto gestolen.
Kom mee. Hij rijdt in een Lincoln.
- Waar gaan we heen? - Jezus christus.
Ken je me nog?
- Stap uit. - Oké. Leg het maar aan hen uit.
Jezus christus.
Ze halen ons in.
Verdomme.
- Je gaat niet met me mee. - Oké, laat me er maar uit.
Dan vertel ik de politie dat een blanke pastoor een arm weeskind ontvoerde.
- Ze gaan de vallei in. - Dat zie ik.
- Dat is een doolhof. - Jij komt hier toch vandaan?
Het is een groot land. Weet jij de weg in Cincinnati?
- Rechtsaf. Hier. - Waar?
Zie je? Je hebt m'n hulp nodig.
Je stapt uit in het volgende stadje. Ga naar huis.
Nee, het is ver weg en ik heb geen goede schoenen.
Ik koop schoenen voor je.
- Het is koud. - En een trui.
- Het is donker. - En een zaklamp.
- Waarom koos je deze auto? - Het is Federico's auto.
Hij doet 'm niet op slot. Niemand steelt van Federico.
- Waarom niet? - Omdat hij de burgemeester is.
Je hebt me nodig. Je raakt hier meteen de weg kwijt.
Ik koop wel een kaart. Die praat minder.
Je kleren. We nemen afscheid van elkaar.
- Niet drinken als je mij meeneemt. - Ik neem je niet mee.
Ik heb een aanbod.
Ik accepteer nu geen aanbiedingen.
Ik betaal je als je me naar de stad brengt.
Ik breng je nergens heen.
En in de stad help je me met m'n plan.
Het is een goed plan. En jij krijgt geld.
Meer dan je je kunt voorstellen.
Hoe heet je?
- Lena. - Lena, rot op naar huis.
Je familie is vast bezorgd.
- Waar heb je mij dan voor nodig? - Je bent blank. Dat is net een paspoort.
- Alles is makkelijker voor jou. - Zo voelt het niet.
Welke kleur hebben jullie pleisters?
Hier ook. Net als in Afrika. Overal hetzelfde.
Makkelijk. Blank zijn.
- Wat is je plan? - Eerst rijden. Daarna komt het plan.
Verdomme.
Zoals ik al zei, niemand steelt van Federico.
Bedankt.
Wat?
We hebben niet bepaald een sterke onderhandelingspositie.
Je levert ons niets op.
- Dit is toch iets? - Ja, inderdaad.
Gefeliciteerd, pastoor. Wat een wonder.
Je hebt wijn in water veranderd.
En ik krijg 700 van je voor de helft van de auto.
Dit is geen gezamenlijke operatie.
Ik heb die auto gestolen.
Als het je niet bevalt, zoek je maar een andere blanke.
- Je had meer kunnen krijgen. - Ga dan onderhandelen.
Ik kan heel overtuigend zijn.
Leg neer.
- Wat? Rijd maar gewoon. - Ik kan ermee omgaan. Jij niet.
Ik wil geen bloed van een weeskind aan m'n handen.
Wat?
Heb je aan m'n tas gezeten?
Nee.
Oké, ja. Omdat ik je niet vertrouw.
Politie, mevrouw.
Er wordt een meisje vermist. Lena. Weet u ervan?
Ik ga koffie zetten.
Lekkere koffie.
Lekkere koffie.
Zeg eens iets vriendelijk.
Wat ben jij?
Z'n huisdier?
Ik heb twee studerende kinderen. Ik moet ergens geld vandaan halen.
No comments yet. Be the first to leave one.