The first 200 lines.
Pass 'm naar mij.
Schiet 'm erin.
Het gaat niet zo goed met haar.
- Dag, schat. - Hoi, mam.
Waarom heb je me niet wakker gemaakt?
Je moet slapen.
Ik praat liever met jou.
Heeft papa je alles verteld?
Alles komt goed.
Ik zal altijd bij je zijn.
Altijd.
Ik hou van je.
Ik hou ook van jou.
Je gaat niet dood.
Dat beloof ik je.
Je gaat niet dood. Dat laat ik niet gebeuren.
Ik kan 'm niet achterlaten.
- Hij heeft me nodig. - Het is maar voor twee weken.
- Ik kan 't niet. - We zijn geen vreemden.
Ik ben je broer. We zijn familie.
Als je die deal in Tokyo afsluit, zitten Mark en jij goed.
- Dan kun je altijd bij 'm blijven. - Ik wil doen wat 't beste is.
Het is moeilijk.
Maar je moet deze kans benutten. Voor jou en voor Mark.
Het zal 'm goed doen om bij andere kinderen te zijn.
Ik breng 'm zelf wel naar Maine.
We moeten wat tijd met elkaar doorbrengen.
Hé, copiloot.
Je mist heel wat moois, terwijl je 't heelal bombardeert.
Ik weet dat je verdriet hebt, maar sluit je toch niet zo af.
Ze komt terug.
Misschien niet als zichzelf, maar ze komt terug.
Ik mis haar ook.
Maar ze is er niet meer.
Ze zijn er.
Jullie hebben 't gehaald.
- Elf staten in drie dagen. - Zeg oom Jack 's gedag.
- Wat 'n mooi meisje. - Ze lijkt op haar moeder.
- Hoe is 't, Mark? - Gaat wel.
Ik zal je 't huis laten zien.
Niet tegenstribbelen. Ze krijgt altijd haar zin.
Kijk 's wie hier is.
Kijk nou toch 's.
Niet te geloven dat 't al tien jaar geleden is.
- Ik stel dit erg op prijs. - Janice zou 't ook gedaan hebben.
Henry, kom naar beneden.
Denk om de gastvrijheid.
Ik heb er twee gemaakt. Nu zijn we broers.
Alsof eentje nog niet genoeg was.
- Ik heb Alice Davenport gesproken. - De therapeute van 't ziekenhuis?
Ze wil graag met Mark praten terwijl jij weg bent.
Dat is een goed idee. Hij sluit zich voor mij af.
- Heeft iedereen alles? - Ja, hoor.
- Dit is geweldig. - Wil je wat sla?
- Ze hebben de vuurtoren gesloopt. - Die op de rotspunt?
- Ik was gek op die vuurtoren. - Wij ook.
Daar hebben jullie toch voor 't eerst...
Daar hebben je vader en ik onze eerste picknick gehouden.
Zo gaat 't niet. Hier.
Hiermee haal je het binnenste eruit.
Dat doe je zo.
Wacht.
Het komt wel goed met hem.
Je begrijpt 't toch wel, hè?
Ik laat je nu achter, zodat...
Zodat ik je daarna nooit meer alleen hoef te laten.
Het is maar voor twee weken. Misschien korter.
Kop op.
Het is kerstvakantie. Ga leuk met Henry spelen.
Ik hou van je.
Ik hou ook van jou.
We zijn heel gauw weer bij elkaar.
Dat beloof ik.
Geef me 'n zoen.
Ik hou van je.
Niet zo snel. Moet je niet ontbijten?
Heb je lekker geslapen?
Heeft Henry je niet wakker gehouden?
- Nee, hoor. - Mooi.
We zijn heel blij dat je bij ons bent.
Mark, kom nou.
Ik zie je wel bij 't middageten.
Goed gevangen. Gooi 'm terug.
Heb je last van hoogtevrees?
Mooi zo. Ik zie je boven wel.
- Kom je? - Tuurlijk.
Kom op. Het is helemaal niet moeilijk.
Help me even.
Denk je dat je kunt vliegen als ik je loslaat?
Help.
Een granaat.
Moet je dit zien.
Mooie worp.
- Wat gebeurt hier? - Tijd om op te stappen.
Kom hier, stelletje etters.
Wacht op mij, Henry.
Gaaf.
Wat zit er in dat doosje?
- Toe maar. - Daar krijg je kanker van.
Nou en? Je gaat toch wel dood.
- Heb je je moeder gezien toen ze dood was? - Ik wilde wel, maar ik mocht niet.
Je had wel moeten kijken. Dat is belangrijk.
Mensen praten niet graag over de dood. Je moet 't onderzoeken.
- Wetenschappelijk. - Zo voelt 't anders niet.
Hoe zag ze eruit toen je haar voor 't laatst zag?
Bleek.
Ik heb m'n broertje Richard goed bekeken toen ie verdronken was.
- Is je broertje verdronken? - Hij was helemaal blauw.
Je had naar haar ogen en lippen moeten kijken.
Je had haar aan moeten raken. Voelen of ze warm of koud was.
- Hou je kop over m'n moeder. - Ik bekijk 't wetenschappelijk.
- Hou je kop of je krijgt 'n dreun. - Probeer 't maar.
Dan gooi ik je hier naar beneden.
Het spijt me. Dat was stom.
Ik weet niet hoe ik me zou voelen als ik geen moeder had.
Zijn we weer vriendjes?
- Wat was die vent eng. - Hij was zo groot.
Jij ging er als 'n haas vandoor.
Het is al laat. Zo is 't genoeg.
Ik meen 't. Ik wil geen piepje meer horen.
- Hé, Henry... - Wat?
- Ik vond 't heel leuk vandaag. - Morgen wordt 't nog leuker.
- Lees je Skeleton Man wel 's? - Wie?
Een superheld die nooit doodgaat, omdat ie al dood is.
- Lees jij nooit strips? - Dat is slecht voor je hersens.
Leuk je gekend te hebben.
Kom op.
Kom nou mee.
Gaaf beest.
- Is dat niet je moeder? - Ze staat daar heel vaak.
- Waarom? - Om aan Richard te denken.
Vreemd, hè? Kom, ik laat je m'n nieuwe uitvinding zien.
Kom dan.
- Waar gaan we heen? - Naar m'n schuurtje.
Gaaf.
Waar is 't voor?
Ik heb er drie maanden aan gewerkt. Mooi, hè?
Je trekt die kabel naar achteren.
Pak 'n bout. Toe maar. Laden.
Nu richten we op de kat.
Je moet haar niet raken, alleen laten schrikken.
Prima schot.
Het vizier is nog niet helemaal goed.
Dit is 'n welkome afwisseling.
De meeste patiënten willen alleen maar praten.
- Ik heb niks te zeggen. - Volgens je vader wel.
- Hij wil dat ik over mama praat. - Dat helpt soms.
- Ik kan 't wel aan. - O ja?
- Ik moet wel. - Waarom?
Als je iets belooft...
Als iets jouw schuld is...
Wat heb je gedaan?
Ik heb iemand dood laten gaan.
Wat is er?
Je bent 't wel. Je bent teruggekomen.
Ik wist wel dat je terug zou komen.
Ik ben bij je.
Ik ben bij je.
Rustig maar.
Ik weet dat je haar mist.
- Je hebt 'n stukje met blauw. - Dat is de lucht.
- En 't heeft een rechte kant. - Dan moet 't hier.
Heel goed.
- Vind je 't hier leuk? - Tuurlijk.
We zullen goed voor je zorgen, dan ben je niet verdrietig meer.
Het is negen uur. We vertrekken.
- Jij niet. - Waarom niet?
- Hij is ook mijn vriendje. - Tot straks.
Jullie met je stomme geheimen. Ik heb ook geheimen en ik zeg niks.
- Status? - Geladen en gereed.
- Probeer dat bord te raken. - Nee.
- Die lamp dan. - Nee.
Doelwit in zicht.
Wat doe je nou?
Wat doe je nou?
Ik wilde 'm alleen laten schrikken.
Heb je geen gevoel voor humor?
Geeft niks. Ik raap ze wel op. Ze vallen altijd op de grond.
Is ze niet mooi?
Vond je haar aardig?
Dat vond iedereen. Ze was een fantastisch mens.
Ze hield heel veel van je.
De laatste keer zei ze dat ze altijd bij me zou zijn.
Dat is waar.
Je moeder leeft voort in jou. Ze zal altijd 'n deel van je zijn.
En van jou.
Is dat Richard?
- Je mist 'm vast. - Zeker weten.
Mark, ik wil je wat laten zien.
Ga maar. Ik zet ze wel terug.
Wat voeren jullie daar uit?
Dat is streng geheim.
Ik vind 't erg van die hond. Het ging per ongeluk.
Denk je dat ik zoiets met opzet zou doen?
Wat wil je me laten zien?
Ik wil je voorstellen aan een heel speciaal iemand.
- Wie is dat? - Meneer Snelweg.
- Wat ga je met 'm doen? - Dat hangt ervan af.
- Waar vanaf? - Van jou. Of je me helpt.
- Hoezo? - Dit wordt iets geweldigs.
No comments yet. Be the first to leave one.