The first 200 lines.
Laat eens zien?
Doet het nog pijn?
Zo, Lotte. We gaan je zo van zaal halen, hè? Ja.
Dag, meneer.
Hier met aardbei, de lekkerste. - Nee, dank je. Ik heb geen trek.
Als je niet eet, ga je dood.
O, hij zit vast. Ik krijg hem niet los.
Oké, Mike, jij bent de volgende. - Ik kan niet.
Ik tel af: Drie, twee, een.
Weet je wat pas vies is? Worteltjes.
Wat is dit nou?
Zo. Nee, nee...
Ik heb je uitslag. - Echt?
Nee, ho ho... Eerst even aankleden.
Mike, niet aanzitten. Hé, Mike? - Ik zie allemaal paarse bolletjes.
We wachten even tot je moeder er is. - Is dat goed of slecht?
Wat? - Die paarse bolletjes.
Die zijn gemaakt door jouw nieuwe beenmerg.
Van m'n moeder. - Precies.
Ze had hier toch allang moeten zijn?
Ik heb ingesproken, ik krijg haar niet te pakken.
Die bolletjes, wat doen die?
Die eten de beestjes op die jou ziek maken.
Dus ben ik beter?
We wachten tot je moeder er is, dan praten we verder, maar...
Het ziet er goed uit.
Dan mag ik naar huis? - Nou, ja...
Ik mag naar huis.
Ik mag naar huis.
Wat? - Ik mag naar huis.
Ik mag naar huis.
Ik mag naar huis.
Oeps.
Ik mag naar huis.
Dit is de voicemail van Natasja, laat een boodschap na achter de piep.
Natasja, je zoon zit te wachten. Waar blijf je nou?
Ben je er nou nog?
Je moeder is je zeker weer vergeten?
En heeft u misschien uw paspoort bij u?
Zo, cowboy. Waar gaan we heen? - Ik mag naar huis.
M'n moeder komt me halen. - En je dacht: Ik ga vast?
Heb je nog tijd voor een choco-de-luxe voor je gaat?
Ja.
Met hagelslag? - Uiteraard.
En slagroom? - Zo, toe maar.
Ik kom eens kijken hoe het met je gaat.
Mijn naam is Cilia.
Ik werk bij Bureau Jeugdzorg.
Jij bent hier best al een tijd, hè? - Het is bijna kerst.
Dan ga ik naar huis.
Daar wou ik het met je over hebben. Jij was erg ziek, hè?
En voor jouw moeder is dat best een beetje zwaar geweest.
Nou, ze was er anders nooit. - Nee?
Hoe vaak is ze dan de afgelopen maanden geweest?
Weet ik niet. Maar ze is heel druk. - Mis jij je moeder?
Wij maken ons een beetje zorgen om je moeder, Mike.
Ze vergeet afspraken met de zuster, we kunnen haar vaak niet bereiken.
Hoe moet dat dan als jij weer thuis woont? - Dan gaat het vast beter.
Denk je dat echt?
Wij weten niet of jouw moeder nog voor je kan zorgen.
Maar daar is toch niks aan?
Waar het op neerkomt, Mike, als je niet thuis kunt wonen, ja...
Dan moet je ergens anders heen.
Dat is mijn bed. - Jij ging toch weg?
Jongens, wat is de overeenkomst tussen Mike's moeder en een spook?
Ze bestaan allebei niet.
Mike, niet doen. - Help.
Help.
Hé. - Jeroen.
Ophouden. - Wat is dit?
Vind jij dat normaal? Vind je dat normaal om te doen?
Laat die jongen los.
Die jongen mishandelt mijn zoon. Nu heeft ie weer een aanval.
Daar kan Mike niks aan doen. - Dat kan ie wel.
Jeroen heeft epilepsie, die aanvallen horen erbij.
Ben je oké? - Ja.
Vincent, dit is Mike. Die komt bij jou op de kamer.
Als je net zo'n jambek bent als Jeroen, sla ik je helemaal verrot.
Doe eens even normaal, jij.
Als je vragen hebt over de kinderafdeling, dan kan Mike je wel helpen.
Ik ga even lakens halen.
Heb je een ongeluk gehad? Met de auto? Met de fiets?
Hoelang moet je hier nog blijven? - Ik wil slapen.
Nou, jij bent ook saai, zeg.
Kijk eens. Hoi, schat.
Wat gezellig, een kamergenootje.
Mike, ga je weer aan het werk? - Ja.
Mam.
Mam. - Hé, pikkie.
Wat ben je aan het hijgen? - Waarom kom je nu pas?
Kijk eens.
Kom, we gaan je spullen pakken. - Oké.
Straks meteen maar even nieuwe kleren voor je kopen.
Als we in de stad zijn, kunnen we meteen...
Naar de kermis. - In de botsauto's.
Weet je nog, vorig jaar met kerst?
Mevrouw Vasilovski.
Je zou hier drie dagen geleden al zijn. - Ik was druk, dat heb ik toch gezegd?
En dan bel je niet even af? - Ik ben er nu toch.
Mike heeft urenlang met z'n ziel onder z'n arm op jou gewacht.
Voor de zoveelste keer.
Als het goed is, heeft Jeugdzorg contact met u opgenomen.
Het zou kunnen, ja.
U mag Mike niet meer meenemen.
Daar heb jij zeker voor gezorgd?
Mike is een kind. - Ja, en ik ben z'n moeder.
Daar hebben we niet veel van gemerkt de afgelopen maanden.
Alsof jij hier de hele tijd bent. - De zaak ligt nu bij de kinderrechter.
Die zal bekijken wat er verder met Mike gaat gebeuren.
Zijn jullie gek geworden? Hij gaat gewoon mee.
Als u dat doet, dan moet ik de politie bellen.
Ik laat het niet hierbij zitten. - Natasja...
Wat is dat? - Dat is een kliniek.
Mike heeft niks aan een moeder die altijd maar in de kroeg zit.
Bemoei je met je eigen zaken.
Mam.
Mam.
Wat denkt dat mens wel? Dat ze God is? - Ik ga met je mee.
Het spijt me, pikkie, maar ik mag je nu nog even niet meenemen.
Maar waarom niet? - Omdat het een stelletje bemoeials zijn.
Hé, jochie. Ik ga het allemaal regelen. Dat beloof ik.
Bedenk maar vast wat voor kleur suikerspin je wil.
En? Helpt het?
Lieverd, ik wil even met je praten. - Ik niet met jou.
Mike...
Mike, ik zou niets liever willen dan dat jij naar huis ging.
Wat zou het hier rustig worden, zeg. Heerlijk.
Maar ik wil ook dat het goed met je gaat. - Het gaat toch goed?
Je hebt iemand nodig die voor je zorgt.
Je moet je medicijnen innemen, anders loop je zo weer wat op.
Je moet op tijd eten, op tijd naar bed. Je kleren moeten gewassen worden.
Je moeder heeft moeite met die dingen.
Als ik alles zelf kan, mag ik dan naar huis?
Daar gaat de kinderrechter nu over beslissen.
Hé, raap eens op. - Doe het zelf.
Beste meneer de kinderrechter. Ik ben Mike en ik ben 10 jaar.
En ik kan best naar huis.
U hoeft niet bang te zijn dat ons huis niet schoon is.
Of dat m'n kleren vies zijn.
Als papa dan komt, dan ziet ie dat je in een rolstoel zit, dat je rechtop zit.
Het is belangrijk om in beweging te blijven.
Probeer het nou gewoon. - Waarom zou ik?
Nou, zo komen we geen stap verder, hè?
Of dat ik niet gezond eet.
Ik wil leren koken.
Tomatensoep zeker? Nou, hop.
En ik weet precies welke medicijnen ik moet.
Lieverd, ik snap dat het ontzettend moeilijk voor je is.
Jullie snappen er helemaal niets van.
Daarom kan ik naar huis.
De groeten van Mike.
Wacht, ik help je.
Waarom loop je eigenlijk niet met krukken?
Daarom niet.
Je hebt toch maar één been in het gips? - M'n ruggenmerg is stuk. Nou goed?
Ik kan niet meer lopen. - Nooit meer?
Hier.
Wat heb jij? - Leukemie, dat is een soort kanker.
Weet ik. Van je bloed. - Maar ik ben alweer beter.
Waarom ben je dan hier? - Omdat... Deze week mag ik naar huis.
Fijn. - Ja.
Kom op, joh. Je kunt niet eeuwig in bed blijven liggen.
Wist jij dat er ook een zwembad is, beneden? Speciaal voor revalidatie.
Blijf met je poten van m'n spullen af. - Een liefdesbrief.
Zelfstandig is met een Z, gezond met een In en rechter met CH, niet met een G.
Schuif eens met je billen naar de rand van het bed.
Kom op, ik weet zeker dat je het kan.
Rolstoel is met een R.
Wedden dat wij eerder beneden zijn dan hij?
Heb je een envelop?
Meneer...
Zo. Net goed voor die poedel. - Poedel?
Dat mens van Jeugdzorg. En een postzegel?
Postzegel niet nodig, sergeant. Dat doet de postkamer.
Goed werk, soldaat.
Koekje? - Ja, lekker.
Choco-de-luxe? - Daar kwam ik voor.
Zijn de groepjes al gemaakt? - Ja. Olivier, Jesse en ik gaan samen.
En jij natuurlijk.
Als je weer beter bent.
Is dat jouw rolstoel? - Nee, van hem.
Heb je m'n kaart niet gehad?
Nee.
Van een vliegtuig zeker?
Ik ga naar Lotte.
Ik haal je in. - De mijne is nog steeds langer.
Maar morgen komen er twee kralen bij.
Een voor de chemo? - En ze gaan m'n hoofd bestralen. Kijk...
Dat had ik ook. - Ja, vast.
Echt.
Was je bang? - Maar m'n moeder wel.
Waarom?
Omdat ze dacht dat ik doodging. Daarom gaf ze deze.
Het is m'n gelukspetje. Als je deze op hebt, word je meteen beter.
En jij? Ben jij bang?
Nou ja, nu hoef ik tenminste m'n haar niet meer te verven.
Hier. Zie je er meteen een stuk cooler uit.
Hé, Mike...
Bedankt.
Wil jij ook afscheid nemen van dit ziekenhuis, of van een medepatiënt?
No comments yet. Be the first to leave one.